Roemernorm: hoeveel externe inhuur mag een overheid hebben?

De Roemernorm zegt dat de uitgaven aan externe inhuur bij het Rijk niet meer dan 10% van de totale personele uitgaven mogen zijn. Voor wie geldt de norm, hoe bereken je hem en waar staat de discussie nu?

Bright Professionals · , bijgewerkt
Voor overheden5 min lezen

Hoeveel externe inhuur mag een overheid hebben?

De Roemernorm is een afspraak dat de uitgaven aan externe inhuur bij een ministerie niet hoger mogen zijn dan 10% van de totale personele uitgaven. De norm is geen wet. Hij komt uit een motie die de Tweede Kamer op 20 mei 2010 aannam, ingediend door SP-fractievoorzitter Emile Roemer.

De norm geldt voor het Rijk; gemeenten, provincies en waterschappen gebruiken hem alleen als ze dat zelf afspreken.

Rond 2009 en 2010 was er veel discussie over de kosten van externen bij het Rijk; het kabinet werkte toen met een norm van 13%. De motie-Roemer vroeg om een afdwingbare norm van 10% voor de ministeries. Die 10% is sindsdien het ijkpunt voor het Rijk, al staat er geen sanctie op overschrijding.

Voor wie de Roemernorm geldt

De norm geldt voor de ministeries en de organisaties die onder hun begroting vallen. Ieder ministerie verantwoordt in het departementale jaarverslag hoeveel het aan externe inhuur heeft uitgegeven. De Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR), die elk jaar in mei verschijnt, geeft het totaalbeeld voor het hele Rijk.

Voor gemeenten, provincies en waterschappen bestaat geen landelijke norm. Veel gemeenteraden en rekenkamers gebruiken de Roemernorm wel als vergelijkingsmaatstaf, en sommige gemeenten hebben een eigen percentage in hun beleid vastgelegd. Ter vergelijking: gemeenten gaven in 2024 gemiddeld 17,5% van de loonsom uit aan externe inhuur (2023: 18,1%). Bron: Personeelsmonitor A&O fonds Gemeenten.

Zo bereken je het percentage

De berekening is een deling: de uitgaven aan externe inhuur gedeeld door de totale personele uitgaven, dus eigen personeel plus inhuur samen. Wat onder externe inhuur valt, is binnen het Rijk sinds 2005 vastgelegd in de Rijksbegrotingsvoorschriften. Het gaat om werk dat in opdracht wordt uitgevoerd door mensen die niet in dienst zijn, verdeeld over acht categorieën, waaronder:

  • interim-management en organisatie- en formatieadvies
  • beleidsadvies en communicatieadvies
  • juridisch advies
  • advisering over automatiseringsvraagstukken (ICT)
  • accountancy, financiën en administratieve organisatie
  • uitzendkrachten, voor formatie en voor piekwerk

Niet alles wat van buiten komt, telt mee. Medewerkers die op basis van een interdepartementaal contract van een andere overheidsorganisatie komen, gelden als inbesteding en niet als externe inhuur. Ook uitbesteding van een compleet product of resultaat, zoals een onderzoek of een softwarepakket, valt er doorgaans buiten.

Voor gemeenten bestaat geen vaste definitie; de Personeelsmonitor en de eigen jaarrekening hanteren soms andere afbakeningen, dus vergelijk cijfers alleen als de definitie gelijk is. Wat telt als inhuur en wanneer je moet aanbesteden, staat in externe inhuur aanbesteden.

"Pas toe of leg uit"

Blijft een ministerie onder de 10%, dan is het klaar. Komt het erboven, dan moet het in het jaarverslag uitleggen waarom. Veelgenoemde redenen zijn schaarse ICT-expertise, tijdelijke programma's en uitvoeringsorganisaties die snel moeten opschalen. De meeste kerndepartementen blijven onder de norm; de overschrijding zit vooral bij grote uitvoerders.

Let op: de Roemernorm zegt niets over de vorm van de inhuur. Een zzp'er, een gedetacheerde en een uitzendkracht tellen alle drie mee. De norm vervangt dus niet de toets of een opdracht door een zelfstandige mag worden gedaan. Zie handhaving op de Wet DBA.

Waar de discussie nu staat

In 2024 lag het aandeel externe inhuur bij het Rijk op 15,4%. In de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025 daalde het voor het eerst in jaren, naar 13,1%. Dat is nog altijd boven de norm, vooral door de vraag naar ICT-specialisten en tijdelijke projecten.

Het kabinet wil de inhuur verder terugdringen en meer werk door eigen mensen laten doen; daaraan is een bezuiniging verbonden die oploopt tot 1,4 miljard euro per jaar vanaf 2030.

Sinds december 2025 is er een openbaar dashboard externe inhuur op dashboards.rijksoverheid.nl. Daarop zie je per ministerie het aandeel inhuur en het aantal openstaande vacatures. Het wordt twee keer per jaar bijgewerkt. Daarmee is de norm zichtbaarder geworden, ook buiten het Rijk: gemeenteraden en rekenkamers verwijzen er steeds vaker naar.

Voor inkopers en HR-adviseurs betekent dit dat elke inhuur moet worden onderbouwd: waarom extern, waarom deze vorm, en voor hoe lang. Bij de keuze van de vorm helpt de beslishulp zzp of detachering. Een goed inhuurdossier maakt die onderbouwing achteraf aantoonbaar.

Samenvatting

  • De Roemernorm komt uit een motie van Emile Roemer van 20 mei 2010 en stelt dat externe inhuur maximaal 10% van de totale personele uitgaven mag zijn.
  • De norm geldt voor de ministeries als "pas toe of leg uit"; gemeenten en provincies gebruiken hem vrijwillig.
  • In 2025 daalde de inhuur bij het Rijk naar 13,1%, nog altijd boven de norm.
BronnenTweede Kamer, motie Roemer over een afdwingbare norm van 10% voor de inhuur van externen, 20 mei 2010 (Kamerstuk 32360, nr. 5) · Rijksoverheid, "Rijksoverheid wordt efficiënter en effectiever: minder externe inhuur", 20 mei 2026 (Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025) · Rijksoverheid, "Nieuw dashboard voor meer overzicht van externe inhuur", 5 december 2025 · Rijksbegrotingsvoorschriften, model 3.60 en bijlage externe inhuur (definitie, categorieën en norm), rbv.rijksfinancien.nl · A&O fonds Gemeenten, Personeelsmonitor 2024
Laatst gecontroleerd op 3 november 2026. Dit artikel is algemene informatie, geen juridisch advies.
Vragen over dit onderwerp?

Bel of mail ons gerust.